Home / Scouting AvK / Geschiedenis / Wie was Admiraal van Kinsbergen nu eigenlijk?

Wie was Admiraal van Kinsbergen nu eigenlijk?


Admiraal van KinsbergenHet was een avontuurlijke man. Reeds op negenjarige leeftijd nam hij deel aan de strijd tegen de Fransen.
Na de Vrede van Aken kreeg hij in Elburg wat onderwijs en in Groningen onderwijs in de talen, wiskunde en stuurmanskunst.
In 1750 kwam hij weer als adelborst op een oorlogschip en werd in 1762 commandeur.
In 1770 kwam hij in Russische dienst en versloeg de Turken in de Zwarte Zee in 1773, en kreeg daardoor de erenaam "Held van de Zwarte Zee".
In 1775 keerde hij weer in Holland terug en onderscheidde zich in de slag bij de Doggersbank in 1781. Toen de Fransen ons land binnenvielen, had Van Kinsbergen de waterverdeding zo versterkt dat de Fransen afzagen van het plan op een eiland bij Dordrecht binnen te vallen .
In 1786 trouwde hij op 23 juli met Hester Hooft en zij gingen in Amsterdam wonen. Zomers woonden zij op het landgoed "Adrichem"  in Beverwijk.
In 1795 trad hij in dienst van de koning van Denemarken en bleef dit tot 1806. Toen vestigde hij zich weer in Elburg. Vriend en vijand bewonderden hem, zelfs Napoleon onderscheidde hem. Niettemin werkte Van Kinsbergen mee aan de bevrijding van ons land en werd hij door Willem I overladen met eerbewijzen.
Zijn laatste jaren bracht hij door op zijn landgoed bij Apeldoorn. Hij werd daar in de Hervormde kerk begraven.
Op 1 mei 1735 werd te Doesburg Jan Hendrik Kinsbergen geboren. Zijn vader, Johan Heinrich Ginsberg was geboren op 7 januari 1706 in Salchendorf (Duitsland) en was getrouwd met Petronella ten Nuyl geboren in Zutphen. Vader Johan Heinrich had zijn Duitse naam verhollandst in "Kinsbergen". Er werden nog twee zonen Peter (2/12/1736 te Zutphen) en Jan Adam (18/11/1738 te Harderwijk) geboren. Deze overleden echter op jonge leeftijd. Als nakomer en vierde zoon werd op 28 februari 1742 in Harderwijk Hermanus geboren. Later zou hij zich Jan Hermanus noemen. Het gezin woonde toen in Harderwijk. Jan Hendrik en Jan Hermanus zullen op Welgelegen een rol gaan spelen.
  De oudste, Jan Hendrik ging al vroeg op 9-jarige leeftijd op veldtocht. In 1744 was namelijk de Oostenrijkse successieoorlog uitgebroken doordat Frankrijk gebieden annexeerde. Vader Johan Heinrich moest als sergeant de zuidelijke Nederlanden, het huidige Belgi? verdedigen. Zoon Jan Hendrik dramde net zolang door, totdat zijn vader zwichtte en ook hem meenam op zijn veldtochten. In 1748 werd de vrede van Aken getekend en werd het vrij rustig in het gezin Kinsbergen. Zij woonden toen in Elburg. In 1751 ging Jan Hendrik voor ingenieur studeren in Groningen. Hij studeerde talen en wiskunde. In het geheim studeerde hij bij een oude zeeman de zeevaartkunde. Hij was zeer leergierig en werd zeer gewaardeerd door de dichter en bestuurder, Onno Zwier van Haren. Deze werd beschermheer van Jan Hendrik en op voorspraak van Onno werd Jan Hendrik adelborst bij de Amsterdamse admiraliteit. Van de vijf admiraliteiten Zeeland, Holland, West Friesland, Friesland en Amsterdam was de Amsterdamse er het best aan toe. Maar als geheel was de toestand van 's lands marine er slecht aan toe. De genoemde Onno Zwier van Haren was de vader van Carolina Wilhelmina. Jan Hendrik had toen al kennis gemaakt met Carolina en zal haar later als vriend steunen in haar mis?re. In 1758 kwam ook zijn broer Jan Hermanus bij de Amsterdamse admiraliteit. Zij zagen elkaar veel in hun omzwervingen op zee. Jan Hendrik voer veel op de Middellandse zee om de koopvaardij te beschermen tegen Algerijnse, Marokkaanse en Engelse kapers. Hij verdiende fl 10,- per maand en werd in 1758 bevorderd tot luitenant, waardoor zijn soldij verdubbelde. In 1761 leek het er even op dat Apeldoorn nooit zijn admiraal zou krijgen. Jan Hendrik werd evenals drie andere schepelingen ernstig ziek. Zij hadden hete koorts en rode loop. De drie anderen stierven, maar Jan Hendrik had een krachtig gestel en overleefde de ziekte. Op 3 november 1760 was zijn jonger broer Peter in de slag bij Torgau gesneuveld. In 1760 werd zijn beschermheer Onno Zwier van Haren door zijn twee dochters beticht van incest. De familieverhoudingen bleven ondanks latere pogingen van Jan Hendrik beschadigd tot aan de dood van Onno in 1779. In 1762 ging Jan Hendrik als luitenant naar West-Indi?, naar de Kolonie Berbice.. Hij moest de ongeregeldheden in de Nederlandse volksplantage verhelpen. Hij werd bij terugkeer bevorderd tot commandeur. Hij studeerde zeer veel op gebied van sterrenkunde, historie, wiskunde, reisverslagen, fortificaties en Griekse en Romeinse historie. Ook de broer van Jan Hendrik, Jan Hermanus werd commandeur en het ging de broers voor de wind.
  In 1769 trad Jan Hermanus in dienst van de VOC. Eind 1769 ging hij als schipper van de "Leymuiden" met zeer veel goud aan boord via de Kaap richting Ceylon. Bij het eiland Boa Vista (Kaap Verdische eilanden) verging zijn schip. Hij zwierf met zijn bemanning 4 maanden door Zuid Amerika en wist via Paramaribo weer naar Holland te komen. Toen bleek het echter gebeurd te zijn met zijn carri?re. De Amsterdamse admiraliteit schrapte hem ten onrechte uit de commandeurs registers. Jan Hermanus ging toen met zijn kersverse echtgenote Johanna Jacoba Schumacher in de kolonie Berbice, als plantagehouder werken. De kolonie Berbice was wat nu het oostelijke deel van Guyana is en lag tegen Suriname aan. Er liepen door Berbice twee rivieren, de Rio Canje en de Rio Berbice. Deze kwamen tezamen in zee bij New Amsterdam. In Rio Canje werd in 1777 hun zoon Jan Hendrik Jr. geboren. Het lijkt er op dat, eind 1777 of begin 1778, admiraal Jan Hendrik zijn broer en schoonzus in de kolonie Berbice heeft bezocht, mogelijk ter ere van de jonggeborene en naamgenoot. Jan Hermanus en zijn vrouw Johanna Jacoba wilde daar de Plantage "de Vrijheid" in Rio Canje kopen. Jan Hendrik verleende hen daar, op 28 februari 1778, een hypotheek van fl 16.000,-. Na aanvallen door de Britse kapers, waarbij de plantage afbrandde, kwamen Johannes Hermanus, met vrouw en kind, echter in 1782 berooid terug en gingen in Wezep wonen. De admiraal kon uiteraard ook naar zijn geleende geld fluiten. Berbice werd in 1804 definitief een Britse kroonkolonie, dat tot 1966 stand hield.

  Overigens had Berbice een moordend klimaat. Hieruit stamt nog een zeer oud Hollands gezegde "iemand naar de barbiesjes wensen".

  Nu weer terug naar de admiraal in 1769. Jan Hendrik was niet gelukkig meer bij de Amsterdamse admiraliteit mede door het gebeuren met zijn jongere broer. Hij zag een andere kans doordat in 1768 de oorlog tussen Turkije en Rusland was uitgebroken. Tsaar Peter de Grote heeft eind 17e eeuw de Russische vloot gesticht maar het ontbrak hem aan ervaren lieden. De vloot werd onder Catharina I en Peter II volkomen verwaarloosd. De Tsarina Catharina II kwam in 1762 op de troon, en zij besloot de marinezaken flink aan te pakken. Ervaring was welkom. Dertig bekwame Britse zeeofficieren had zij reeds in haar dienst. Jan Hendrik Kinsbergen lokte zo'n functie ook wel. Op voorspraak van zijn relaties stond de stadhouder Prins Willem V het toe, dat hij in dienst van Rusland trad. Jan Hendrik werd op 10 september 1771 nog bevorderd tot kapitein (ter zee) bij de admiraliteit. Hij was toen 36 jaar. Eind 1771 ging hij naar Rusland en noemde zich vanaf toen "van Kinsbergen". Hij werd onder de hoede genomen door de Britse admiraal Charles Knowles die zeer bevriend was met de Tsarina. Charles had sinds 1770 de vloot aanzienlijk verbeterd. Jan Hendrik legde eind 1771, ten overstaan van Tsarina Catharina de eed af. Echter de campagne in de Zwarte Zee stond pas in 1772 op de planning.
  In Rusland werd hij eerst kolonel der cavalerie (kozakken) en hij was als een vader voor de kozakken, en zeer geliefd. Hij voerde de kozakken van de Don aan tegen de Turken, waarbij het Russisch schiereiland de Krim werd veroverd. Hij leerde in die periode ook de Russische taal spreken.
  In 1772 kreeg Jan Hendrik van de Tsarina de opdracht de Donau, Zwarte zee en Zee van Azov met hun kusten te bestuderen. Er was toen een wapenstilstand met Turkije. Desondanks werd hij twee maal aangevallen door een Turks eskader maar hij wist met zijn galjoot (kleine galei) te ontsnappen. Hij deed voortreffelijk werk en ontving een grote bonus. Midden 1772 was hij aanwezig bij de vredesonderhandelingen en hij viel op door zijn maritieme ervaring, en nog meer door zijn beweringen. Aangezien de vredesonderhandelingen mislukten ontbood de Tsarina hem. Jan Hendrik gaf haar zijn visie en advies hoe een aktie te ondernemen. Hij kon het zeer goed vinden aan het hof en ontmoette veel geleerden met wie hij relaties aanknoopte. Eind 1772 was hij pas een jaar in Rusland maar hij werd weer ontboden bij de Tsarina. Er ontstond een vriendschappelijke relatie met de 6 jaar oudere Tsarina Catharina de Grote. Jan Hendrik ontvouwde aan haar zijn plannen en hij mocht ze uitvoeren.
  Aldus kwam hij in de zomer 1773 in de slag met Turkije terecht. Doelbewust zocht hij, na geheim beraad met de Russische Prins Prozoroffsky, de Turken op. Jan Hendrik had slechts 2 schepen met op elk schip 14 stukken geschut en tezamen 150 man. Op 23 juni kwam hij een Turks smaldeel tegen dat uit 3 schepen bestond. Echter elk met 52 stuks geschut en nog een schip met 75 stuks. De Turken vielen aan onder "allerijselijk geschreeuw" denkende, dat zij de meerderheid vormden. Dat was ook wel zo (6 tegen 1) maar zij kenden Jan Hendrik niet. Door zijn discipline en manoeuvreer taktiek dropen de Turken na een 6 uur durend gevecht af met zeer grote schade. Jan Hendrik had slechts 4 doden en 26 gewonden. Hij wachtte tot de volgende dag om de strijd te hernieuwen maar de Turken kwamen niet meer opdagen. Bij zijn terugkeer op het Krim liet hij per boodschapper de Russische legeropperbevelhebber Prins Dolgorucky en zijn eigen vice-admiraal Sinavin de behaalde overwinning weten.
  Tijd voor triomf was er echter niet. Prins Prozoroffsky wist dat een grote Turkse vloot op weg was naar de Krim. Dit eskader was groot 12 schepen elk 27 stukken geschut en 12 schepen elk 4 stukken geschut en 5000 man. De legeropperbevelhebber Prins Dolgorucky kon met zijn landleger de Krim niet meer tijdig bereiken en vroeg Jan Hendrik de invasie op zee te stoppen. De maritieme admiraal Sinavin zou zijn toestemming wel geven. Jan Hendrik voer onmiddellijk uit met slechts een fregat 32 stukken en met 3 schepen elk 14 stukken. Verder nog een brander en een kanonneer sloep. Vice admiraal Sinavin was echter ziekelijk en bleef aan wal en had nog geen toestemming verleend. Jan Hendrik ontmoette een deel van het Turkse eskader. Juist toen hij wilde aanvallen kwam een "aide-de-camp" van vice-admiraal Sinavin, die mondeling mededeelde dat elk contact vermeden moest worden. Jan Hendrik was echter slim. Normaal deed de Vice-admiraal zulke bevelen op schrift. Dus liet hij de boodschapper als leugenaar opsluiten en viel aan. De Turken ontweken het gevecht en de oorzaak hiervan bleek s'middags. Het Turkse eskader was toen aangegroeid tot 3 schepen elk met 64 stukken geschut, 4 schepen elk met 25 stukken geschut en 8 transportschepen met 500 man. Een overmacht van 4 tegen 1 dus. In de strijd werd het Turkse admiraalsschip zwaar beschadigd. Het droop af en zonk. De gehele vloot vluchtte toen. Jan Hendrik kwam als held van de Zwarte zee terug.
  Op 22 september 1773 werd hij benoemd tot ridder van St. George die door vice-admiraal Sinavin werd uitgereikt namens de Tsarina. Sinavin zou nimmer meer over zijn boodschapper praten. Die boodschapper was overigens na de strijd netjes vrijgelaten. Begin 1774 werd Jan Hendrik bij de Tsarina ontboden en hij verbleef twee maanden aan het hof te St. Petersburg, waar hij zich gemakkelijk aanpaste. Ook had hij daar nog relaties met Russische dames, die echter geen stand hielden. Hij voerde nog een aantal kruistochten uit die kleine zeeslagen opleverden. In 1774 werd de vrede met Turkije getekend. Eind 1774 bood hij tijdens een audi?ntie bij de Tsarina zijn ontslag aan. Deze weigerde het ontslag maar bood hem een lang verlof aan. Begin 1775 ging Jan Hendrik terug naar Nederland. Hij behield zijn Russische jaarwedde van fl 3000,- en tot de dood van Catharina in 1796 kreeg hij aanbiedingen om haar vloot te leiden.
  In Nederland terug gekomen werd ridder Jan Hendrik van Kinsbergen door de Prins en Prinses zeer welwillend ontvangen en bespraken zijn verdere toekomst. Vanaf 1775 woonde Jan Hendrik op kamers bij een plantagehouder, Louis Schumacher aan de Fluwelen Burgwal in Amsterdam. Zijn thuishaven bleef echter Elburg.
  In 1775 was Nederland in oorlog geraakt met het Marokkaanse rijk. In april 1776 ging Jan Hendrik langdurig naar de Middellandse zee. Hij kruiste daar rond om de Marokkaanse kapers tegen te houden van hun aanvallen op de Nederlandse koopvaardij. In 1777 kreeg hij een soort ambassadeursfunctie en moest hij vrede sluiten met de keizer van Marokko. Dit lukte hem tot zijn eigen verbazing ook, op 4 april 1777. In september 1777 was hij weer terug in Texel. Op 16 maart 1778 was hij alweer in Gibraltar op weg naar Marokko om het vredesakkoord te laten ratificeren door de keizer van Marokko. Dit lukte tegen aanzienlijke betalingen aan dees en geene. Tot mei 1779 kruiste hij in de Middellandse zee om het de Marokkanen goed duidelijk te maken dat echte vrede, geen schendingen toeliet.
  In de bewaarde documenten is iets vreemds waar te nemen. Begin 1778 werd er in Berbice een hypotheek door Jan Hendrik genomen ten gunste van zijn broer Jan Hermanus met de plantage in de Rio Canje als onderpand.. De akte voor de hypotheek is gepasseerd op 28 februari 1778 in Berbice. Uit een document van Jan Hendrik die hij in 1814 liet opmaken, lijkt het of hij in Berbice is geweest. De zinsnede in het document luidt "gevestigt geweest zijnde, speciaal op de plantagie in die colonie en toebehoren, gelegen in de Rio Canje genaamd de vrijheid". De bewaarde documenten lijken nogal tegenstrijdig. Immers nauwelijks 2 weken nadat de hypotheekakte in Berbice is opgemaakt was Jan Hendrik alweer in Gibraltar. Echter eind 1777 is zijn neefje, de naar hem vernoemde, Jan Hendrik Jr. in Berbice geboren. Jan Hendrik was zeker gestreeld door de vernoeming, door zijn broer en schoonzus. Hij zal ook wel hebben willen aanschouwen, waarop hij nu precies, een toch aanzienlijke hypotheek verstrekte. Mogelijk is hij in de winter '77/78 op Berbice geweest en was hij niet lijfelijk bij het transporteren van de akte aanwezig.
  Midden 1779 is Jan Hendrik echter weer terug in Amsterdam. Hij was toen kapitein bij de admiraliteit. Hij nam weer contact op met een kennis uit zijn studententijd, de eerder genoemde Carolina Wilhelmina van Hogendorp van Haren. Zij was de moeder van Gijsbert Karel van Hogendorp die later in 1813 nog een grote rol zou gaan spelen. De man van Carolina, Willem was niet zo'n beste echtgenoot en hij was, na zijn fortuin er doorheen gejaagd te hebben, in 1773 naar Indi? gegaan om geld te verdienen. Dit lukte en hij zou in 1783 terugkeren. Maar zijn schip verging bij de Kaap. Nadat twee jaar niets van hem werd vernomen nam Carolina de status van weduwe aan. Jan Hendrik heeft haar tussen 1775 en 1786 veel bezocht en met haar gecorrespondeerd. Tevens nam hij een soort voogdijschap aan over haar zones Dirk en Gijsbert Karel van Hogendorp. Dit werd echter de oorzaak van een ruzie tussen Carolina en Jan Hendrik en het werd niets tussen hen.
  Jan Hendrik verbeterde de in slechte staat verkerende vloot en maakte grote naam op 7 augustus 1781 in de slag bij de Doggersbank tegen de Engelsen. Het was een zwaar zeegevecht tussen 15 schepen met 793 stukken geschut. Niemand won eigenlijk maar de Engelsen vluchten. Nederland en Engeland claimden beide de overwinning.
  In 1782 maakte de 47-jarige vrijgezel Jan Hendrik kennis met de 13 jaar jongere Hester Clifford Hooft, een zeer rijke Amsterdamse bankiers weduwe. Hesters vader was burgervader van Amsterdam en een vurig patriottenleider. Jan Hendrik was een orangist en een goede kennis van Hesters man voor diens overlijden. Hij vroeg Hester ten huwelijk maar zij zou vier jaar lang aarzelen. Intussen hielp hij zijn broer Jan Hermanus aan een baan bij de Friese admiraliteit. Deze admiraliteit had echter geldzorgen. Daardoor kwam Jan Hermanus weer in de problemen. Jan Hendrik was inmiddels schout bij nacht en adjudant generaal van Prins Willem V. Jan Hendrik hielp zijn broer zo goed mogelijk. Maar in 1786 stapte Jan Hermanus mogelijk mede op advies van Jan Hendrik op 44-jarige leeftijd uit de admiraliteit.
  In dat zelfde jaar nam Hester Hooft het 4 jaar oude huwelijksaanzoek van Jan Hendrik aan. Zij trouwden op 23 juli 1786 en gingen in Amsterdam wonen in een groot Patrici?rs huis. Zij woonden zomers op een groot landgoed "Adrichem" in Beverwijk. Hester was zeer vermogend en trouwde Jan Hendrik op huwelijkse voorwaarden. Hij kreeg jaarlijks fl 20.000,- hetgeen extreem veel voor die tijd was. Bovendien kreeg hij fl 200.000,- waarvan hij de rente mocht gebruiken. Jan Hendrik werd dus zeer vermogend.
  De tegenstellingen in Amsterdam tussen de patriotten en de oranjegezinden werden problematisch voor Jan Hendrik. Mede door zijn goede relaties met de patriottische heren in Amsterdam had hij een persoonlijke adviserende relatie met stadhouder Willem V en diens vrouw Wilhelmina van Pruisen. In 1787 werd deze relatie onhoudbaar. Jan Hendrik en Hester en haar twee kinderen Hesje (21) en Margo (15) kregen toestemming van Prins Willem V om als een soort ambassadeursfunctie een rondreis door Europa te maken, dus weg uit Amsterdam. Daarbij werden ze ook uitgenodigd op het huwelijksdiner van aartshertog Franz en Elisabeth in Wenen.
  In 1788 kwam het gezin weer terug in Nederland en er gebeurden een aantal dingen. Jan Hendrik nam ontslag bij de Tsarina, hetgeen hem zijn wedde van maar liefst fl 3000,- kostte. Hij kreeg een aanbieding voor het opperbevel van de Deense vloot, en wederom van de Russische vloot. Maar Jan Hendrik sloeg beide af en werd vice-admiraal bij de Nederlandse vloot maar hij weigerde salaris te ontvangen. In hetzelfde jaar op 2 april 1788 bleek zijn broer Jan Hermanus van Kinsbergen het landgoed "Welgelegen" gekocht te hebben voor fl 12.000,-. Hoe hij aan dit geld kwam is niet bekend. Jan Hermanus was immers berooid terug gekomen uit Berbice en had nog een schuld van fl 16.000,- bij zijn broer. Hij heeft in de paar jaar bij de Friese Admiraliteit een dergelijk bedrag niet kunnen vergaren. Vermoedelijk heeft Jan Hendrik het hem, net als in 1778, weer geleend. Hij had zeker het geld daarvoor. Mogelijk heeft ook stadhouder Willem V meebetaald.
  Jan Hermanus zou slechts twee jaar op Welgelegen wonen. Hij overleed op 5 maart 1790 slechts 42 jaar oud. Zijn weduwe Johanna bleef op Welgelegen wonen met haar zoontje Jan Hendrik Jr.
  In 1789 trouwde de stiefdochter Hesje Clifford met de eerder genoemde Gijsbert Karel van Hogendorp. Stiefdochter Margo Clifford trouwde op 5 juni 1791 met Jacob Unico Willem graaf van Wassenaer.
  Jan Hendrik Jr. voer in 1790 nog regelmatig als adelborst met zijn oom en naamgenoot "de admiraal" op zee. Echter op 25 september 1792 overleed hij op zee bij Malaga aan rode loop en tyfus. Hij kreeg een zeemansgraf. Hij was toen pas 15 jaar oud en sinds zijn 13e jaar adelborst.
  Inmiddels werd de situatie in Nederland steeds grimmiger door de patriottische beweging die zich voornamelijk in de steden afspeelde. In 1793 werd de vice-admiraal J.H. van Kinsbergen bevelhebber van de zeemacht en blokkeerde de Franse aanval bij het Hollands Diep. Hij woonde toen nog in Amsterdam. Op 20 juni 1793 werd hij bevorderd tot luitenant admiraal.
  Op 17 januari 1795 was de patriottische beweging zo dreigend dat Prins Willem V besloot naar Engeland te vluchten. Jan Hendrik van Kinsbergen deed hem op de loopplank uitgeleide en kreeg daarbij de titel admiraal. Toen hij terug kwam in Amsterdam werd hij gevangen genomen op verdenking dat hij de vloot had ingezet om Prins Willem V naar Engeland te brengen. Dit was niet waar maar hij verbleef 11 dagen in de gevangenis. Na ontslag uit de gevangenis werd hem het bevel over de zeemacht ontnomen. Jan Hendrik was uitermate verbolgen. Vlak daarop op 15 mei 1795 overleed zijn vrouw Hester op 47-jarige leeftijd. Het was een gelukkig huwelijk geweest dat 9 jaar geduurd heeft. Jan Hendrik noemde haar zijn 'maatje'. De erfenis die aanzienlijk geweest moet zijn leidde tot een conflict met zijn schoonzoon Gijsbert Karel van Hogendorp. Hester had namelijk op haar sterfbed haar wil iets aangescherpt. Jan Hendrik had dit opgeschreven maar Hester had niet meer de kracht om het te tekenen. Stiefdochter Margo accepteerde het ongetekende codicil van haar moeder, want het was plausibel, Hesje was het daar wel mee eens. Gijsbert Karel geloofde dat niet, uit rancune. Hesje en Gijsbert Karel kwamen toen met een compromis. Jan Hendrik hield toen echter de eer aan zichzelf en weigerde enig geld uit de erfenis, behalve dat wat formeel vaststond. Dat was overigens niet gering. Hij kreeg een legaat van fl 50.000,- en levenslang de renten van fl 200.000,-. Hij ging in 1795 redelijk verbolgen, in Elburg wonen in zijn huis waar tot diens overlijden in 1786 zijn vader had gewoond. Dit huis in Elburg aan de Jufferenstraat 17/19 bestaat nog steeds en was eigendom van Jan Hendrik. Hij aanvaarde het vice-admiraalschap van Denemarken maar hij mocht van het nieuwe gezag niet weg uit Nederland. Deze functie behield hij tot 1806 maar ook nu weigerde hij salaris. Aardig is het om te vermelden dat hij ook weigerde belasting te betalen omdat hij Deens onderdaan zou zijn. En met succes.

Afbeelding 4.
Foto van Welgelegen voor de 1e verbouwing in 1864. Vergelijk deze foto met de ets uit afbeelding 3.
Ze zijn hetzelfde. De dames en jonge dames zijn de eerste acht ?l?ves met hun leraressen, de dames Guichart.



Foto Historisch Museum Apeldoorn.


  U zult gemerkt hebben dat we wel ver van Welgelegen zijn verdwaald, maar dat komt door de wereldfiguur die admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen was. We gaan weer richting Apeldoorn.
  Eind 1797 en in 1798 gebeuren er een aantal dingen die de gezondheid van de admiraal nadelig be?nvloeden en zijn leven zou wijzigen. In 1797 overleed tot groot verdriet van Jan Hendrik zijn stiefdochter Margo. Zij werd slechts 25 jaar.
  In 1798 wilde Jan Hendrik definitief op Welgelegen gaan wonen. In december ging hij op bezoek op Welgelegen. Tijdens dat korte verblijf werd Jan Hendrik begin 1799 ernstig ziek. Hij was toen 64 jaar. Hij werd door de drie freules Schimmelpenninck van der Oije liefdevol verpleegd op hun ouderlijk buitenhuis "De Poll" aan de IJssel in Voorst. Hun moeder Woltera was in juni 1798 overleden. Deze freules waren toen 37, 42 en 44 jaar oud. Na zijn herstel in 1799 ging Jan Hendrik met zijn lijfknecht Koenraad K?hler en nog twee bedienden definitief op Welgelegen wonen. Aanvankelijk kwam ook de oud officier en publicist J. H. van Olnhausen mee naar Welgelegen.
  De admiraal zou daar 20 jaar tot zijn dood in 1819 blijven wonen. Hij was de freules zeer erkentelijk en nodigde ze uit om op Welgelegen te komen wonen. Hij had ook koosnaampjes voor de drie freules, Jetje, Sweertje en Keetje.
  Uit de beschikbare akten lijkt het of hij het landgoed voor fl 18.000,- van zijn schoonzus en haar tweede man P. de Trevey de Charmail kocht. De koopakte is in 1804 gepasseerd. De admiraal heeft het dus een tijdlang gehuurd van zijn schoonzus. Waarom hij het landgoed pas in 1804 kocht en niet in 1798 is niet helemaal duidelijk. Hij wist dat zijn schoonzus het wilde verkopen. Maar sinds de terugkeer van zijn broer Jan Hermanus, in 1781, uit Berbice waren zij nooit tot een vergelijk gekomen over de schuld aan hypotheek die zijn broer en schoonzus nog bij hem hadden. Ook speelde waarschijnlijk mee dat Jan Hendrik in 1788 ook nog geld geleend had voor de aankoop van Welgelegen door zijn broer. Jan Hendrik was zeer bemiddeld en zijn schoonzus zat kennelijk ook niet om het geld verlegen.
  Op 18 oktober 1814 zou de admiraal het bericht krijgen dat zijn schoonzus Johanna Jacoba was overleden. Hij laat dan in Apeldoorn bij notaris P.B. van Lom een akte opstellen, met verzoek tot royeren in Berbice, van de in 1778 afgesloten hypotheek van fl 16.000,- door zijn broer en schoonzus in de kolonie Berbice. Waarom had hij dat al niet in 1790 bij het overlijden van zijn broer gedaan. Kennelijk hoopte hij dat er nog betaald zou worden. Dat had dus gekund toen in 1804, zijn schoonzus Welgelegen voor fl 18.000,- verkocht. Dat is ook niet gebeurd.
  Ondanks zijn 64 jaar zat Jan Hendrik niet stil. Het gezag in Nederland had weliswaar zijn maritieme beroep beknot maar hij wijdde zijn tijd aan het schrijven van boeken over de zeevaart. Jan Hendrik had zoals reeds verteld een opleiding tot ingenieur gevolgd. Men moet goed beseffen dat in die tijd de schepen geheel op windkracht voeren. Stoomkracht zou pas 40 jaar later toegepast worden, en in Nederlandse Marine pas in 1870. Jan Hendrik beschreef op Welgelegen hoe de manoeuvres in een zeeslag uitgevoerd moesten worden. Hij stimuleerde diverse onderwijsinstellingen waaronder de Latijnse school in Elburg. Tot aan zijn dood zou hij elk jaar aldaar aanwezig zijn bij het afnemen van examens. Maar ook Arnhem en Harderwijk deelden in zijn schenkingen.
  Ook in Apeldoorn deed de admiraal veel goed. Gedurende de Franse bezettings tijd tot 1813 besteedde hij zijn tijd aan weldadigheden en wetenschap. Zo had de admiraal in 1805 een werkhuis ingericht in het jachthuis van het Loo voor werkelozen. Het was een vlas en spinhuis. In 1807 werd dit per ongeluk door Koning Lodewijk be?indigd. De admiraal moet hier met de Koning over gepraat hebben. Niet alleen werd er toen een werkhuis op het Kopermolense veld opgericht (naast de latere sluis nr.1) maar de Koning schonk ook nog fl 100.000,- in een zg. Koning Lodewijk fonds t.b.v. de armen en het onderwijs in Apeldoorn.
 

Afbeelding 5.
Gravure door C.H. Hodges pinx, van admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen.


Gravure Huub Ummels.


  In 1808 vroeg Koning Lodewijk de admiraal om lid te worden van het centraal comit? voor de Marine. Jan Hendrik kreeg toen de titel maarschalk. In 1809 is de verstandhouding tussen Lodewijk Napoleon en zijn broer de keizer slecht. In februari 1810 werden de door Lodewijk Napoleon verleende maarschalktitels, door de keizer aan de betrokkenen ontnomen. Koning Lodewijk verhief hierop uit wraak, zijn drie maarschalken tot graaf. In een bericht van 10 mei 1810, van de koning aan Jan Hendrik, werd hem de titel graaf van de Doggersbank verleend. De koning schrijft hem aan als 'mon cousin'. Op 1 juli 1810 trad Koning Lodewijk gedesillusioneerd af. Deze Koning Lodewijk Napoleon was zeer mild in zijn beleid, maar het bleef natuurlijk een opgedrongen koning door de Fransen. Op 9 juli 1810 werd ons land tot grote droefheid van Jan Hendrik en vele anderen, Nederland van de kaart geveegd en werd een provincie van Frankrijk. Het was een gekke tijd die bijna drie en een half jaar zou duren. De Franse hertog Lebrun werd aangesteld in Nederland als de plaatsvervanger van Napoleon. Deze Lebrun was diep onder de indruk van het gezag dat de oude admiraal overal genoot. Jan Hendrik kreeg het voor elkaar dat de school in Elburg niet gedegradeerd of gesloten werd. Ook deed Jan Hendrik aanbevelingen om de Grift bevaarbaar te maken. Dat lukte niet. Wat hij wel voor elkaar kreeg was het plan om valide weeskinderen op te leiden tot zeelieden. Alleen al in Apeldoorn werden 50 leerlingen geplaatst met goed gevolg. Lebrun stelde aan Napoleon voor om Jan Hendrik de titel 's?nateur' te geven en tevens het paleis het Loo aan hem te geven. Napoleon reageerde over dit laatste verontwaardigd maar in 1810 benoemde hij Jan Hendrik wel tot 'comte de l'Empire' en in 1812 tot 's?nateur'. Jan Hendrik weigerde echter de daaraan verbonden gelden.
  Het aannemen van deze titels van de Franse bezetter was niet vreemd. Jan Hendrik was zeker Oranjegezindt, maar de stadhouder had hun in 1795 daar toestemming voor gegeven, doordat ze ontslagen waren van de eed op de stadhouder. Jan Hendrik kon echter goed overweg met de koning en de hertog. Dit bleek uit het feit dat hij in 1807 nog met koning Lodewijk een rondrit maakte door Apeldoorn en omstreken en tegelijkertijd her en der ontmoetingen regelde met schoolbesturen. Uiteraard ter verkrijging van gelden. De admiraal had het goed voor met het volk en had een eigen visie over opleidingen en opvoeding.
  Hij leed eind 1811 weer hevig aan zijn oude kwalen en de ziekte van 'de oude pikbroek', zoals hij zichzelf noemde, was ernstig. Hij gaf veel bloed op en was zeer verzwakt. Om die reden liet hij ook de uitnodiging voor een audi?ntie bij de keizer, die op het Loo verbleef, schieten. Op 8 december 1811 liet hij notaris G. de Ruelles op Welgelegen komen. Het oude testament uit 1795 verviel en in het nieuwe testament bepaalde hij onder andere dat de drie freules zijn landgoed zouden erven.
  Omstreeks 1811 kwamen de drie freules Schimmelpenninck van der Oije definitief bij hem op Welgelegen wonen. Deze datum is duidelijk aantoonbaar. In notarisakten wordt dan als woonplaats Apeldoorn genoemd. Echter in de inwoners registratie die in 1811 en eerder plaats vonden komen zij niet voor. Zij staan ook niet geregistreerd in de registers van Voorst of Arnhem.
  Op 1 mei 1812 op zijn 77e verjaardag startte hij ten oosten van de Mheen en ten noorden van de Tol een publieke weide. De bedoeling was om het koeienras te verbeteren. Uit een akte, bij notaris G. de Ruelles gepasseerd op 6 maart 1812, blijkt dat er een slagboom werd neergezet, en dat om de weide sloten werden gegraven. De publieke weide was verdeeld in zes weilanden, van elk 50 rijnlandse roeden (ca. 8,33 are).De sloten waren 1,8 meter breed en 1,2 meter diep. Op de rand van de sloten werden elzen en berk gepoot. Verder dan de slagboom, sloten en bomen kwam het door de roerige tijden echter niet. Deze weiden bleven in het bezit van de Ordermark en lagen direct ten westen van de Deventerstraat tussen de huidige Kalmoestraat en de Kruizemuntstraat. Terecht heette de weg daaraan vroeger de Doggersbank. Zelfs na zijn dood in 1819 werd door zijn executeurs nog een aanmerkelijke fokstier aan de gemeente geschonken, ter verbetering van het koeienras.
  Aldus werd zijn 77e verjaardag een groot feest met een mooi verlichte vijver en vele vrienden aan de dis, wat tot diep in de nacht zou duren. Op zijn 78e verjaardag in 1813 schonk hij de gemeente een brandspuithuisje en brandslangspuit. Ook schonk hij nog twee dorpspompen en een weeshuis. In 1813 werd Jan Hendrik ernstig ziek. Het was weer een borstziekte. Hij herstelde, maar zou de laatste 6 jaren van zijn leven regelmatig last hebben van wat een borstkwaal werd genoemd.
  In 1813 kwam er een ommekeer in Nederland. Op 22 november 1813 kwamen de eerste kozakken Apeldoorn binnen. Het Loo werd verdedigd door een Frans detachement van 25 man onder leiding van een Hollandse kapitein in Franse dienst, J.B. Lambrechts. Zij moesten het Loo in brand steken en de omgeving verwoesten bij nadering van de kozakken. Op Welgelegen werd na overleg met kapitein Lambrechts een overeenkomst gesloten met de opperbevelhebber van de kozakken. Echter, uit Amersfoort kwamen de Franse troepen naar Apeldoorn en verdreven de kozakken. Zij eisten vervolgens buitensporige voedselhoeveelheden. Burgemeester van Gunningh verzette zich daartegen en werd gevangen genomen en naar Parijs afgevoerd. De Fransen verdwenen daarna weer uit Apeldoorn. Zij gingen de troepen in Deventer versterken. Van Kinsbergen richtte twee vrijwilligerskorpsen op, een voor het Loo en een voor Apeldoorn. Ook Lambrechts sloot zich hierbij aan tezamen met 50 kozakken. Deventer was namelijk omsingeld door de Pruisen en de Fransen konden alleen via Apeldoorn naar Amersfoort. Alsof hij nog in aktieve dienst was, zo stelde de admiraal een memorie op hoe de korpsen geformeerd moesten worden. Daarbij werd nadrukkelijk het slijpen van de hooivorken bevolen indien geen pistool of geweer beschikbaar was.De 50 kozakken zouden op zijn landgoed verblijven.
  In januari 1814 eisten de Fransen in Deventer grote voedselhoeveelheden van Apeldoorn en de dreiging werd te groot. Vele Apeldoorners waaronder de admiraal, de drie freules en de bedienden gingen uit voorzorg naar Millingen. De Franse aanval is er nooit gekomen. Wel trokken veel Pruisische en Russische troepen door Apeldoorn en tot spijt van de admiraal pleegden deze "plunderingen, afpersingen en geweldenarijen", ook rond Welgelegen. In april 1814 kapituleerden de Fransen in Deventer en was het gevaar voorbij.
  Op 30 november was ook kroonprins Willem Frederik teruggekeerd uit Engeland. Hij werd ingeleide gedaan door de schoonzoon van de admiraal, Gijsbert Karel van Hogendorp. Deze Gijsbert Karel zou ook mede de grondwet van het Koninkrijk opstellen.
  In 1814 werd Jan Hendrik door Koning Willem I bevorderd tot actief luitenant admiraal en gaf hij ook nog adviezen inzake de verdere strijd tegen Napoleon. Bovendien werd hij verheven tot jonkheer. Dit laatste vond hij toch wel mooi of zoals hij zei "Adel, en dat voor een zoon van verdomd arme ouders".
  De "jonkheer, luitenant admiraal" werd oud. Elk jaar op zijn verjaardag kwam de jonkheer admiraal in uniform naar buiten en werd hij toegejuicht door de bevolking. Tot zijn grote verdriet overleed in december 1818 de jongste freule "Keetje" ofwel Cornelia Constantia. Tot begin 1819 was de gezondheid van de admiraal redelijk goed voor een 84-jarige. Hij kocht begin 1819 zelfs een bril voor fl 100,-. Maar al ras ging het slechter. Hij schreef aan een van zijn oud leerlingen "Verzeker mijne Zeekinderen van mijne aanhoudende vriendschap; maar zeg hun dat vlag en wimpel aan boord van de Admiraal slecht zijn. Het oude schip heeft van de winter zich in een paar stormen bevonden, die de oude karkas veel hebben doen lijden, waardoor de admiraal verpligt was veel zeil te vieren, om het oude schip van strand te houden. De inhouten hebben veel geleden".
  Op 1 mei 1819 vierde hij nog eenmaal zijn verjaardag in tegenwoordigheid van een aantal vrienden maar overleed op 22 mei daaropvolgend op 84-jarige leeftijd. Of beter zoals zijn vriend van Stralen die uit Brussel was overgekomen zei "Ik zag hem ophouden te leven".
  Op woensdag 26 mei 1819 vond in Apeldoorn de eenvoudige uitvaart plaats onder grote belangstelling, ook uit Elburg. De admiraal werd in de oude kerk op het Raadhuisplein bijgezet in de grafkelder van de Heeren van Kannenburg waar 5 maanden daarvoor ook freule Cornelia Constantia was bijgezet. De begrafenis op zich was zeer eenvoudig en koste slechts fl 1,-. Dit terwijl de normale begrafenissen buiten de kerk fl 1,10 tot fl 1,50 kosten.
  In 1839 werd besloten om de oude kerk af te breken en een raadhuis en plein te stichten. De oude dorpskerk werd in 1842 afgebroken. Het kerkhof werd ontruimd echter de fundering met de grafkelders zou gespaard blijven uit respect voor de overledenen. De opbrengst van de torenafbraak zou gebruikt moeten worden voor een monument voor de admiraal. De gelden voor een gedenkteken waren ontoereikend omdat men het overbrengen van de stoffelijke resten van de admiraal te duur vond. Het geld heeft men later gebruikt om een school aan de Nieuwstraat te stichten. De naam werd "van Kinsbergen instituut". Dit gebouw is gedeeltelijk nog wel aanwezig tegenover de bibliotheek, echter de naam, in vergulde letters, is overgeschilderd. Wrang is dat in 1956 bleek dat destijds, in 1842, ook de grafkelders wel degelijk geruimd zijn door de gemeente. De stoffelijke resten werden overgebracht naar de nieuwe begraafplaats tegenover de Loolaan Kerk, daar waar nu Orpheus staat. De aanwezige grafstenen werden verkocht. Er waren echter enkele uitzonderingen. In de kerk was tegen de koormuur de gedenksteen van de admiraal aangebracht. Dit epitaaf wordt bewaard en staat nog in het depot van het historisch Museum. Het vreemde is dat er in de voet werd bij gebeiteld: "Uit de Hervormde kerk overgebracht 1854" Dit jaartal kan niet kloppen. Wat was er gebeurd?
  De gedenksteen van de admiraal werd in 1842, na de afbraak van de kerk, in het er vlak naast liggende, door de admiraal gestichtte weeshuis, opgesteld. In 1845 boog de monumentencommissie zich over de vraag, waar het monument van jonkheer admiraal van Kinsbergen moest komen. Er waren twee opties, in de nieuwe kerk op de Loolaan of in het op te richten monument. Rond het monument ontstonden verwikkelingen. Later bleek dat het er niet zou komen.. De steen bleef in het weeshuis. In 1854 werd het daar verwijderd en in het portaal van het gemeentehuis ingemetseld. In 1950 is de steen i.v.m. de wederopbouw weer verwijderd, en werd de steen in het museum opgeslagen. Gelukkig niet op de gemeentewerf. In 1996 tijdens de herbestrating, waren de traptreden van de volgestorte grafkelder goed te zien. Deze kelder lag op het Raadhuisplein, pal voor de ingang van het oude raadhuis, in de ronding van het koor.
  De admiraal liet zijn aanzienlijk vermogen van naar schatting fl 1.300.000,- grotendeels na aan een stichting "van Kinsbergenfonds". Huis, landgoed en inboedel liet hij na aan de twee overgebleven freules "Sweertje en Jetje" ofwel Assuera Johanna en Henri?tte Frederica Schimmelpenninck van der Oije. Dit tezamen met een jaarlijkse uitkering van fl 3.000,- voor het onderhoud. Zijn kleren gingen naar zijn toen 60-jarige lijfknecht Koenraad die kennelijk zijn postuur had. Koenraad liep nog vaak trots door het dorp in de kleren van de admiraal. In 1829 is Koenraad echter uit Apeldoorn weggegaan en weer in Elburg gaan wonen, waar hij op 26 september 1842 overleed.
  Het "Kinsbergen fonds" bestaat nog steeds en elk jaar op 1 mei komen de administrateurs te samen om een toast op de admiraal te brengen en om de gelden toe te kennen. Ter nagedachtenis aan de admiraal werd door de beeldhouwer Gabri?l voor fl 8000,- een graftombe "van grote indruk" gemaakt en de reeds vermeldde gedenksteen. Men vond echter de kerk van Apeldoorn vanwege te weinig bewonderaars niet geschikt dus werd de toch gigantische en fraaie tombe in 1821 in de Nieuwe kerk te Amsterdam naast de tombes van Michiel de Ruyter en Jan van Galen geplaatst. De gedenksteen kreeg een plaats in de oude kerk in Apeldoorn. Het is echter meer een zeulsteen dan gedenksteen geworden.
  Veel van de gedachtenis aan de admiraal is er niet overgebleven. De gemeente had er in de loop van bijna twee eeuwen geen geld voor over. Zelfs zijn gedenksteen kon geen plekje vinden en is verborgen in het museum. De naam "Doggersbank" in Zevenhuizen bij zijn publieke weide is verdwenen in 1971. De van Kinsbergenstraat zal het wel overleven. De zeer fraaie pompen zijn verdwenen behalve hun foto. Gelukkig heeft Amsterdam meer zorg voor de tombe.
  In 1935 werd vanwege de 200ste geboortedag van de jonkheer admiraal een grote herdenking gehouden in Apeldoorn, door de historische vereniging "Felua". Ter gelegenheid daarvan werd op het Raadhuisplein een nieuw gemaakte herinneringssteen in de bestrating aangebracht. U heeft gelijk dat U die heden ten dage niet kunt vinden. Het vervelende is dat hij niet alleen verwijderd is maar ook onvindbaar. Elburg heeft veel bewaard ter nagedachtenis aan de jonkheer admiraal.
 

Afbeelding 6.
Foto van Epitaaf van admiraal J.H. van Kinsbergen. Vanuit de oude dorpskerk, op het huidige Raadhuisplein, werd in 1842, na de afbraak van de kerk, dit epitaaf in het weeshuis geplaatst. In 1854 werd het in het nieuwe raadhuis in de hal ingemetseld. Vanaf 1950 wordt de steen in het Historisch Museum bewaard.